Gronden waarop de ramingen zijn gebaseerd
Uitgangspunten
Terug naar navigatie - Gronden waarop de ramingen zijn gebaseerd - UitgangspuntenAlgemene uitkering
In de begroting 2027-2030 is de stand van de algemene uitkering verwerkt conform de meicirculaire 2026.
Prijsontwikkeling gemeente
Voor zover we rekening houden met een prijsontwikkeling bij de kosten en opbrengsten van goederen en diensten, gaan we voor 2027 uit van een inflatie van 2,1 procent. Dit is in overeenstemming met de prijs materiële overheidsconsumptie (IMOC).
Ontwikkeling bijdragen aan verbonden partijen
Bij het ramen van de bijdragen aan verbonden partijen gaan we uit van de door de betreffende partijen vastgestelde begrotingen 2027. Bij de kaderstelling aan deze begrotingen hebben we ons geconformeerd aan de kaders van de Werkgroep Financiële Kaderstelling Gemeenschappelijke Regelingen (voor personele lasten een indexatie van 4,53 procent en voor materieel 2,6 procent).
Personeel/lonen/werkgeverslasten
Voor de indexatie van de loonkosten gaan we uit van de door het CPB geraamde loonontwikkeling. De indexatie is op basis hiervan gesteld op 4,2 procent.
Rente grondexploitaties
Bij de toerekening van rente aan de grondexploitaties gaan we uit van een rente van 0,28 procent.
Rente kostendekkende tarieven
Voor tarieven die niet meer dan kostendekkend mogen zijn, geldt dat we voor de berekening van de kapitaallasten een bedrijfseconomisch verdedigbaar rentepercentage moeten hanteren. Voor zover sprake is van rentetoerekening, kiezen wij voor een percentage van 0,5 procent.
Rente kapitaallasten
Het BBV schrijft voor dat er een verband moet zijn tussen de werkelijke rente op uitstaande leningen en de rentelasten die worden toegerekend aan de bezittingen van de gemeente. Wij kiezen ervoor om de rentepercentages voor kort en lang geld aan elkaar gelijk te houden, 2,15 procent.
Onvoorzien
Voor de dekking van onvoorziene lasten nemen we jaarlijks een post op van € 29.000.
Jaarschijf 2030
Van alle bedragen die voorkomen in de jaren 2027-2030 gaan we ervan uit dat de bedragen structureel zijn en dus overgenomen kunnen worden in 2030. Bij afwijkende of incidentele bedragen in 2029 beoordelen we per post of we deze moeten overnemen in 2030.